Lezersrecensie
De onmogelijkheid van defenestratie of de ervaring aan de aarde gebonden te zijn
4 jan 2020
Maangloed vertelt in eerste instantie het levensverhaal van een ingenieur in de lucht- en ruimtevaarttechniek die tijdens de tweede wereldoorlog jaagt op Werner von Braun, de Duitse uitvinder van de dood en verderf zaaiende V2-raket die later, zonder verantwoording af te leggen, door de Amerikanen bejubeld en gehuldigd werd als koploper van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma dat de eerste man op de maan zette. Na de oorlog treedt hij in het huwelijk met een door de Holocaust getraumatiseerde Joodse vrouw en ontwikkelt hij zich tot fortuinlijke ondernemer die schaalmodellen van bekende raketten produceert.
In tweede instantie vertelt het boek het verhaal van een man die tot het diepst van zijn ziel door woede getekend is; woede om de uitbuiting van rechteloze mensen in het kapitalistisch bestel, woede om het verlies en het ongeluk dat mensen ten deel valt in tijden van oorlog, woede om het trauma dat de geschiedenis zijn vrouw heeft aangedaan. In zijn biografie schuilt een patroon van defenestratie, die begint met zijn letterlijke poging zijn baas uit het raam te gooien uit onvrede met zijn onterechte ontslag, maar ook in zijn pogingen de zwaartekracht van de aarde te overwinnen kan worden gevonden. Hij droomt van een stad op de maan waar hij zijn vrouw en dochter naartoe brengt om in vrede te leven, de strijd en het ongeluk van het leven op aarde achter zich latend: “Wat de ruimtevaart zo moeilijk maakte, was juist wat er volgens mijn grootvader zo mooi aan was: om de ontsnappingssnelheid te bereken zou mijn grootmoeder net als iedere andere ruimtevaarder bijna alles moeten achterlaten” (92). Maangloed voedt het verlangen om aan de aardse zwaartekracht te ontsnappen en opnieuw te beginnen zonder geschiedenis, zonder herinnering. Maar de maan blijkt donker, voor zover ze je telkens terugwerpt op de ervaring dat je de “gevangene van de zwaartekracht blijft, net als alles in het heelal” (291). Elke poging tot defenestratie blijkt vergeefs.
Daarmee vertelt het boek in derde instantie het tragische verhaal van de mens die na het afscheid van God de vader ook afscheid wil nemen van zijn gebondenheid aan moeder aarde, maar tot het inzicht komt dat we aan de aarde gebonden blijven. Daarmee komt de gespletenheid van de hedendaagse mens naar voren die enerzijds zijn leven wijdt aan wetenschap en technologie die hem uit de gevangenis van het aardse leven moeten weg zien te voeren, en anderzijds tot het volle besef komt dat dit aardse leven met haar verlies en pijn niet verdrongen kan worden. Nu kun je deze gedachte pessimistisch duiden zoals de ingenieur uit het verhaal: “Over het algemeen raad ik de naaste omgeving aan om de verwachtingen laag te houden zodat de onvermijdelijke teleurstelling ook zo klein mogelijk blijft” (323). Je zou ook veel positiever kunnen zeggen dat dit aardse leven met haar verlies en pijn ons verlangen tot defenestratie sticht, de gloed van de maan tegenover haar donkerte afzet en aanwakkert. De ervaring van de onmogelijkheid van defenestratie voorkomt dat dit verlangen uitmondt in het escapisme dat hoogtij viert in veel hedendaagse films, en maakt ons gevoelig voor de tragiek van het aardse bestaan dat nu toe uniek gebleken is in het heelal, en onze vraag naar zin blijft voeden.
(meer filosofie en literatuurblogs: https://vincentblok.wordpress.com/)