Lezersrecensie
De wereld waterpas snijden
17 jan 2024
'Toen ik mijn vliegticket naar hier ging boeken vroeg Frédérique of ik dat nou wel zou doen, vliegen. ‘Je kan ook met de trein. We moeten allemaal een beetje aan het klimaat denken.’
Het klimaat, ik had daar nooit zo bij stilgestaan voor ik in een omgeving kwam waar iedereen je er de godganse dag mee om de oren slaat. Als je je hele leven al op een houtje bijt heb je niet echt de tijd om nog aan iets anders dan aan dat houtje te denken. Maar nu ik eindelijk verder kan kijken dan de buxushagen in dat verdomde caravanpark kom ik erachter dat de wereld die ik mondjesmaat in het vizier krijg al helemaal naar de tering geholpen is. Opgebruikt door mensen zoals zij: geboren in een grachtenpand in Amsterdam ('maar mijn familie heeft gewoon op het goede moment een huis gekocht'), in haar kindertijd gevlogen naar New York, Afrika, Japan, god weet naar waar nog meer. Hier en daar even een jaartje gewoond terwijl het pand in Amsterdam geduldig wachtte. Het elegante meubilair wit toegedekt, als vogeltjes in slaap. Ik weet niet eens waar al die plekken zich op de kaart bevinden. Dan kijken mensen je erg raar aan trouwens, als je dat toegeeft. Maar Frédérique heeft dus al jaren niet gevlogen, nu ze beter weet. Ze verkiest met geheven hoofd de trein, de bus, met gevaar voor eigen lijf liften. Ze wil haar steentje bijdragen. Ze wil de wereld niet verder naar de klote helpen, zoals vorige generaties hebben gedaan. Háár voorgangers ja, want ik kan je één ding vertellen mijn voorgangers, jouw voorgangers, waren het niet. Wij hebben altijd ergens verschopt gezeten.
Ik had nog nooit in mijn leven gevlogen, maar nu ik het eindelijk eens één keer wilde doen kon het al niet meer door de beugel. Het kan gewoon niet meer, net als vlees eten. Terwijl ik al dat vlees jarenlang met mijn eigen afstervende vingers door een machine heb geramd. Ik heb de stank nog steeds onder mijn nagels. Maar nee, dat kan ook echt niet en kaas ook niet eigenlijk, of een ei. Je eet maar een boterham. Kindjes in Afrika die hebben pas honger.
Ik ging toch vliegen. Eén keer in mijn leven wilde ik dat perspectief. Die hele aan gort getrapte situatie van boven overzien. Ik drukte mijn voorhoofd tegen het kleine raampje terwijl we opstegen. Eerst de stad en toen het landschap. De velden en de rijen bomen. Alles kaarsrecht en plat, het leek wel strak getrokken door een god. Zoals onze vader zijn grasvelden en heggen ook altijd waterpas sneed.'