Lezersrecensie
What's in a name?
8 jan 2023
Zelfs als mensen op dezelfde tijd in dezelfde plaats zijn, leven ze meestal langs elkaar heen. Het toeval bepaalt of ze elkaar ontmoeten. In ‘Georges’ onderzoekt Koen Peeters vier van zulke gevallen in zijn leven door ontmoetingen die er niet geweest zijn wél te laten plaatsvinden, hij geeft het toeval een duwtje in de rug. De naam Georges (of varianten als Joris en Jozef) speelt daarbij een sleutelrol.
Georges Vermeire werkt in het postkantoor van Oostende. In 1926 staat niemand minder dan James Joyce voor zijn loket. Ze vinden elkaar sympathiek en delen een interesse voor taal. James proeft woorden, hij vraagt Georges naar Vlaamse woorden en noteert ze. De sympathie van James voor Georges heeft met zijn naam te maken, want zijn jonggestorven lievelingsbroer heette George en zijn zoon noemde hij Giorgio. James neuriet en zingt graag. Als hij vertrekt, neemt hij afscheid van Georges door een Oostends liedje te zingen.
Georges Vermeire is vrijwilliger in de Eerste Wereldoorlog en de grootvader langs moederskant van Peeters’ vrouw. Jozef Otten is ook oorlogsvrijwilliger en de grootvader langs moederskant van Peeters. Zijn dochter Paula (Peeters’ moeder) gaat vaak naar het Leuvense stadspark met haar baby. Een oude priester heeft er zijn vaste bank. Na enige aarzeling gaat hij in 1957 naast haar zitten. Georges Lemaître is niet de eerste beste, hij heeft niet alleen een hoog ambt in de kerk, maar is ook een wereldberoemd wetenschapper. Hij is de vader van de big bang-theorie: hoe de sterren zich vanuit een beginpunt, de oerknal, steeds verder van elkaar verwijderen.
Ze ontmoeten elkaar vaker en vertellen over zichzelf. Hij vertelt over de kosmos en verwondert zich over haar kind. Zij vertelt over haar naïeve schilderijtjes die ze verkoopt om haar moeder te ondersteunen. Ze hebben het ook over de oorlog en ontdekken dat de drie Georges bij elkaar in de loopgraaf lagen. Georges en Paula ontmoetten elkaar nog een keer op de Expo 58, als zij opnieuw zwanger is.
In de jaren 80 studeert Peeters in Brussel en is bevriend met Joris. Vaak komt Joris bij hem langs om in zijn boekenkast te snuffelen: ‘Soms las hij zo geconcentreerd dat de contactlenzen uit zijn ogen sprongen’. Maar meestal loopt hij te neuriën. Ze gaan vaak samen op stap in Brussel: ‘De stad was als een vrouw die omkijkt in een rode jurk, en zij glimlachte naar ons. Wij, twee vrienden, lachten terug’. Na zo’n wandeling maakt Peeters een schildering, hij had het van zijn moeder geleerd.
Peeters verzamelt van alles en heeft een Expo 58-verzameling. Joris is gefascineerd door alles wat met zijn naam te maken heeft (wat hij op Peeters overbrengt en waaraan we deze roman danken). Hij dweept met de schrijver Konstantin Georgiejevitsj Paustovski die een reis maakte naar Georgië. Joris vertrekt en laat niets meer van zich horen. Pas na 40 jaar ontvangt Peeters een envelop met een paar briefjes die hij op goed geluk naar Georgië had gestuurd.
Peeters gaat op reis om zijn vriend te bezoeken. Joris trok lang rond in de Kaukasus en leerde de taal. Nu werkt hij als informaticus en zingt in een koor. Toch staat niet hun ontmoeting centraal, maar die tussen de naïeve schilder Niko Pirosmani en Koba, alias Josef Stalin. Pirosmani trok op met Koba die 16 jaar jonger was. Later kwamen ze elkaar tegen in de cafés van Tiflis. De schilder had steeds vaker angstaanjagende visioenen, die hij aan Koba vertelde. Hij was een ziener die de Stalinterreur voorzag. Tegenover zijn nachtmerries staan zijn onschuldige schilderijen. Eenzaam en vergeten gaat hij aan alcoholisme ten onder.
‘Georges’ is geschreven in een prettige, trefzekere schrijfstijl. Tijdens de lectuur kom je van alles aan de weet over zulke uiteenlopende onderwerpen als geschiedenis, kosmologie, schilderkunst, Stalin en Georgië. Het boek kan daardoor lezers van fictie én non-fictie aanspreken. Peeters beschrijft de ontmoetingen met veel empathie. Zijn portret van de neuriënde Joyce met zijn zieke ogen is onvergetelijk, al vind ik de ontwikkeling van de vriendschap met Joris het hoogtepunt van het boek.
Peeters’ grootste troef is zijn verbeeldingskracht. Hij weet zo’n samenhang tussen en in de levens te creëren dat de verzonnen ontmoetingen even aannemelijk zijn als de feiten die hij verhaalt. Zelfs met terugwerkende kracht: Georges en Paula moeten elkaar ontmoet hebben, want Paula heeft de fascinatie voor de kosmos doorgegeven aan Peeters die de maan zo vaak fotografeert dat je er een film van kunt maken. Na het lezen denk je: zo moet het gegaan zijn en niet anders.
Peeters probeert zijn plaats in de geschiedenis te bepalen, de ontmoetingen werpen licht op wie hij geworden is. ‘Georges’ is niet zozeer een historische, maar een autobiografische roman. Peeters zoekt zin en betekenis in zijn leven door te laten zien hoe zijn leven vervloeit met andere levens. Zoals de sterren van Georges Lemaître zich steeds verder van elkaar verwijderen, zo lopen de levens van de personen in zijn roman steeds verder uiteen, al delen ze hetzelfde beginpunt: de naam Georges.