Lezersrecensie
Vreemde, geheimzinnige droomflarden in een vaak hilarisch boek
21 jan 2019
Een aantal jaren geleden las ik vol vreugde een lading Brakmannetjes. Onlangs las ik in een opwelling "De sloop der dingen", wederom met veel plezier, en meteen aansluitend "Het groen van Delvaux". Dat laatste Brakmannetje vond ik lang niet zo spectaculair goed als b.v. "Gesprekken in huizen aan zee", "De graaf van Den Haag" of "De sloop der dingen": de plot van "Het groen van Delvaux" was wel weer meeslepend associatief maar toch voor mij minder verrassend; de stijl was vaak weer hilarisch of juist afgrondig droomachtig, maar toch minder overweldigend. Maar misschien lag dit meer aan mij, want ik had wat drukte en first world problems aan mijn hoofd en was daardoor wat minder geconcentreerd. En bovendien, ook een minder overweldigend Brakmannetje is naar mijn smaak nog steeds erg de moeite waard.
Het zoals steeds onnavolgbare verhaal draait deze keer vooral om de belevenissen, associaties en ervaringen van de volkomen onaangepaste schrijver Quilp. Die Quilp is volkomen lachwekkend, maar al zijn zo kolderieke onaangepastheid is ook een verzet tegen alle conventies en normen van de massa. Conventies die volgens Quilp de ervaring versimpelen tot iets grijpbaars en aanschouwelijks en die het mysterie van de echte ervaring miskennen. Quilps onaangepastheid levert een aantal fraaie groteske scenes op, een paar vlammende en enorm excentrieke betogen over de aard en waarde van het schrijverschap, en bovendien een aantal onnavolgbaar komische observaties.
Zo beschrijft hij een hem onaangenaam vrouwmens als volgt: "Honderd jaar overwaardering van het gebit in de natuurlijke selectie hadden haar een mondwerk meegegeven zo naar voren gebouwd als een notenkraker, wat haar ook iets gillends meegaf". En ook niet mis is de volgende beschrijving van de nogal zinledige leider van een nieuw, behoorlijk absurd instituut voor hoger onderwijs: "Janpaard was zonder meer een orale man, hij was klein, dik en zijn grondvorm was het ei. De romp was bolrond en zo strak omspannen door een vest dat er bij de knoopjes diepe plooien waren te bespeuren. Het hoofd was een in zichzelf rustende bol waar de zelfvoldaanheid van afstraalde. Het mondje was klein, wat stulpend en het praatte en pruttelde onophoudelijk. Daar zijn dikke beentjes nauwelijks de grond haalden was het voor mij zonneklaar dat professor Janpaard een man was waarvoor zitten wezenlijk was: zitten, praten, eten, een wereld als spil die kleine, vochtig glanzende stoma had. Daar afkeer scherp doet zien wil ik niet onvermeld laten dat zijn hoofdhaar bestond uit een dik, kort gehouden matje, dat hij een chique blazer droeg met in het knoopsgat een rozetje en dat zijn benen waren omspannen door het fijnste kamgaren".
Smaken verschillen, maar ik moet hard lachen om zulk soort passages. Ik vind ze hilarisch, en ook erg aantrekkelijk door hun overdaad aan vreemd gekozen woorden en beelden. Brakman is de koning van het onnavolgbare zijpad, de barokke associatie, de groteske uitweiding, de volkomen maffe zijweg. Door die zijpaden, en de exuberante woordenvloed ervan, gaat deze roman alle kanten op. Wat ik heel amusant vind, maar ook functioneel: het lijkt wel alsof Quilp (of in elk geval Brakman) zich op die manier ook verzet tegen de conventie of norm dat een verhaal een kop en een staart moet hebben. Terwijl voor Quilp (en Brakman) de ware geheimvolle rijkdom van de ervaring altijd in het verborgene moet worden gezocht, in het zijpad, in de grilligheid van een ogenschijnlijk willekeurig gekozen vreemd beeld. "Normale mensen schrijven geen mooie boeken", aldus Quilp: juist het afwijken van de norm maakt de schrijver tot schrijver, en tot ervaringskunstenaar.
Veel van Quilps zijpaden zijn echter niet grotesk- komisch, maar eerder droomachtig, surrealistisch, unheimlich. Dat komt vooral naar voren in al zijn associaties naar aanleiding van de zeer geheimzinnige vrouwenfiguren op het schilderij "Acropolis" van de hoogst opmerkelijke Belgische schilder Delvaux. Een onwereldse schilder die volgens velen surrealist was, maar volgens anderen zelfs niet onder dat label was te vatten. Quilp (Brakman) schrijft over "Acropolis" onder andere de volgende, naar mijn smaak onnavolgbaar fraaie passage. "[I]n alle geest die deze naam met ere draagt is fijne essentie van waanzin. Niemand heeft over dit motief zo diepgaand geschilderd als Delvaux, zijn tot poppen verstarde vrouwen, gehuld in poederend wit van hun melancholieke huid, gevangen in de spiegelwanden van hun manische zelfbeschouwing, luisterend naar de diepte in zichzelf. Met somnambule intensiteit stralen zij de warmte uit van hun frigiditeit, de kilte van hun zelfbevrediging, Sierraden, coiffuur, sluiers doen niet ter zake, als enige man de herinnering aan een impotente staarder met bolhoed en krant. Afwezig heffen zij de armen als in een vage omhelzing, maar in hun gaan ligt al de resignatie. Nachtelijke ruimten doorschrijden ze, met blauwviolette toneelarcaden: fin de siècle, Jugendstil, dode stad..... licht ziekelijk grijsgroen".
Voor Quilp is dit schilderij meer dan alleen maar een mooi schilderij: het is een in verf vormgegeven ervaring van duistere geheimen, die ook hem zeer obsederen. Want vrouwen van vlees en bloed interesseren hem nauwelijks: hem interesseren vrouwen alleen als dubbelzinnige droomgestalten, in voltrekt ondoorgrondelijke en onwereldse droomdecors. En die droomdecors, zo zegt Quilp met Freud, geven ons glimpen van vergeten, allesbehalve onschuldige verlangens: "Het kind dat wij waren is polymorf pervers, een ikzuchtige vol Alexandrijnse wellust, een trol waarin de instincten het voor het zeggen hebben […] In ons smeult een schrikbarende eenvoud van bijten, nagels, de vreugde om de geworpen steen. Ook het ratelen van slangen in het hoge zwijgen van de berg, de kreet in het stille zwijgen van de nacht". Precies naar dat polymorf perverse kind is Quilp steeds op zoek, als schrijver en in zijn ervaringen. Of liever: als schrijver die het schrijven ziet als het articuleren van alle geheimzinnigheid en dubbelzinnigheid die wij steeds verborgen houden en die wij vergeten te ervaren.
Vandaar dus zijn voorkeur voor gedroomde vrouwen, soms zelfs gedroomde of geschilderde dode vrouwen, en niet voor werkelijke vrouwen. Hoe onbereikbaarder hoe beter, want alleen het onbereikbare houdt zijn geheimzinnigheid. Alles wat bereikbaar is, wordt uiteindelijk immers ook gelabeld en gedefinieerd, en dus van al zijn geheimvolle rijkdom beroofd. Het onwereldse is zoveel rijker dan het wereldse, omdat alle zogenaamd grijpbare werkelijkheid daarin is getransformeerd in een meerduidig beeld. En in die onwereldse meerduidigheid is dan nog iets voelbaar van de chaos der dingen, en de chaos van ons onbewuste driftleven, dus van dimensies die voorafgaan aan de overzichtelijke wereld van onze conventies. Zo ook in het ziekelijke, het misvormde, het schimmige, het droomachtige. Het zogenaamd heldere licht van onze conventionele wereld verdraagt Quilp niet, hij wil het onwerkelijk groenige licht van Delvaux, het schimmige duister van Kafka, de troebele onderwerelden van Poe. "Acherontische inspanningen om een niet te ontcijferen tekst die maar blijft fascineren, dat moet Kafka hebben doorspookt", aldus Quilp, in een van zijn vele onbegrepen betogen. En daarmee omcirkelt hij wat ook voor hem de kern is van het schrijven: fascinatie voor wat niet te ontcijferen valt, en dat ons juist daarom blijft bespoken en fascineren.
Dit boek is behoorlijk doordesemd van onwereldse droomflarden, en ook - zoals ik eerder zei- van grotesk- komische zijpaden. Er staan ook flink wat eigenzinnig- fraaie passages in over hoe de ervaring van het ik onwillekeurig de ervaring van de massa volgt, en over hoe de schrijver en de kunstenaar zoekt naar ervaringen die juist ontsnappen aan die invloed van de massa en aan onze gemeenschappelijke, al te versimpelende taal. En fascinerend vind ik vooral dat Brakman ons diverse hoogst geheimzinnige passages voorschotelt, vol onontcijferbare raadsels, en waarin hij de geheimzinnigheid van de ervaring niet verheldert maar accentueert. Ik vond dit Brakmannetje zoals gezegd minder dan sommige andere Brakmannetjes. Maar ik heb er vaak hard om moeten lachen, en ik was gecharmeerd van zijn geheimzinnigheid.