Lezersrecensie

Fragmentarische meditaties van Franz Kafka


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
15 jan 2025

Kafka’s "Zürauer Aphorismen" waren al vertaald door Jacq Firmin Vogelaar in Raster: Aforismen uit Zürau Franz Kafka, Raster. Nieuwe reeks. Jaargang 2006 (nrs. 113-116) - DBNL. Daarna deed Willem van Toorn dat opnieuw, in "Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap". Maar in "Een kooi ging eens een vogel zoeken" zijn die aforismen weer opnieuw vertaald, door Martin de Haan. Op www.hof/haan.nl geeft hij meer informatie over deze vertaling, en over hoe hij aankijkt tegen Kafka’s werk. Nu zijn er dus drie mooie Nederlandstalige versies van deze fraaie aforismen. Hoera! Bovendien zijn die aforismen net zo intrigerend als Kafka’s veel beroemdere andere werk. Ik las ze dus met plezier. Net als "Du bist die Aufgabe": een Duitse uitgave van de aforismen, met verhelderende commentaren van Kafka- kenner Reiner Stach. De bundel bestaat uit 109 korte stukjes. Per bladzij één, zodat elk stukje oogt als een in de leegte bungelend fragment. Sommige bestaan zelfs uit maar één regel. Maar het zijn geen spreuken of wijsheden, zoals bij aforismen gebruikelijk is. Soms zijn het verhaaltjes, soms losse beelden, soms parabels. En alle aforismen zijn tantaliserende raadsels. Aforismen als “Een kooi ging eens een vogel zoeken” (een aforisme dat letterlijk gelijk is aan de titel) zijn zelfs verrassend surrealistisch en ongerijmd. Reiner Stach noemt Kafka’s schrijven een vorm van gecontroleerd dagdromen. En dat is inderdaad precies wat Kafka in deze aforismen doet. Want daarin mediteert hij steeds over onoplosbare existentiële raadsels. Kijkend met een “oog dat alles herleidt tot de leegte”, zoals Roberto Calasso mooi zegt. Zie zijn stuk "Versluierde heerlijkheid. Over de aforismen van Kafka", Roberto Calasso, Raster. Nieuwe reeks. Jaargang 2006 (nrs. 113-116) - DBNL Bovendien is elk aforisme een gesprek van Kafka met zichzelf. Aforisme 5 luidt bijvoorbeeld: “Vanaf een bepaald punt kun je niet meer terug. Dat punt moet bereikt”. En aforisme 22 is: “Jij bent de opgave. Geen leerling te bekennen”. Hier spreekt Kafka zichzelf in de jij- vorm toe, als iemand die in diepe concentratie is verzonken en zichzelf ten diepste wil peilen of vermanen. Aldus tenminste Kafka- kenner Stach, en anderen met hem. Maar wat is de “opgave” waarover Kafka zichzelf toespreekt? Misschien bedoelt hij zijn eigen existentiële opgaven: zijn ongeneeslijke tuberculose, zijn onoplosbare problemen met Felice Bauer, zijn worstelingen met zijn eigen schrijverschap, zijn verlangen om in het onzegbare door te dringen. Misschien denkt hij tegelijk ook aan de zoektochten van Josef K. in Het proces, en van K. in Het kasteel. Twee protagonisten die zichzelf de opgave stelden om de onkenbare waarheid ten diepste te peilen. Dat was een alles op het spel zettende verplichting. Maar ook een eindeloze, per definitie onvoltooide ontdekkingsreis. En dat gold ook voor de existentiële opgaven van Kafka zelf. Zoals lezers van zijn dagboeken en brieven goed weten. Kafka’s opgave is dus misschien: zichzelf onderdompelen in onoplosbare existentiële vraagstukken. En ze recht in de bek kijken, in al hun afgrondigheid. Die opgave is ook zelf raadselachtig. Wat mooi past bij de raadselachtige bondigheid van beide aforismen. In aforisme 1 varieert Kafka bovendien op het bekende begrip van de ‘ware weg’. Dus de weg naar het Allerhoogste Inzicht, de Goddelijke Waarheid, het Eeuwige Zijn. Bij Kafka is dat geen gebaand pad: “De ware weg gaat over een koord dat niet hoog in de lucht is gespannen, maar vlak boven de grond. Het lijkt meer bedoeld om over te struikelen dan om over te lopen”. Een wankel en smal koord voor struikelende koorddansers, dat zich niet eens hoog boven het aardse gewemel verheft. En in een later aforisme lijkt zelfs dat koord er niet te zijn: “Er is een doel, maar geen weg: wat wij weg noemen is getreuzel”. Kafka’s weg is dus wankel en smal, en soms is er zelfs geen weg. Bovendien voert de weg naar het onbekende. Aforisme 17 luidt namelijk: “Op deze plaats ben ik nog nooit geweest: het ademt hier anders, verblindender dan de zon straalt naast haar een ster”. Hier mediteert en droomt Kafka over een andere zijnstoestand. Met een ander licht (naast de zon nog een andere ster, die nog meer verblindt). En een andere lucht (het ademt daar immers anders). Die zijnstoestand verschilt radicaal van de wereld die we denken te kennen, en is daardoor niet te bevatten. Maar hij is verlokkend, juist door zijn onbevattelijkheid. Volgens sommige Kafka- kenners is dit aforisme zelfs het motto van Kafka’s hele oeuvre. Want Kafka zocht continu naar het onbekende. En naar zijnstoestanden met een andere lucht en ander licht. Waarom deze zoektocht? In "Du bist die Aufgabe" tovert Stach ons, als gedachte- experiment, een fictieve planeet voor ogen waarop alle bewoners slechts twee dimensies kennen. Zij kunnen zich wel lengte en breedte voorstellen, maar geen diepte of hoogte. Terwijl die derde dimensie er wel is. Op die planeet zou een evenbeeld van Kafka kunnen rondlopen. Die zou zich de derde dimensie evenmin kunnen voorstellen. Maar hij zou wel worden bespookt door het vermoeden dat er meer dan twee dimensies bestaan. Bovendien zou hij geplaagd worden door het gevoel dat zijn tweedimensionale wereld een povere en beklemmende illusie is. Daarom zou hij zijn leven lang blijven zoeken naar die onvoorstelbare en onkenbare derde dimensie. Uiteraard tevergeefs. Maar het gepassioneerde vuur van die zoektocht zal nooit doven. In zijn aforismen speelt Kafka zelf bovendien met Plato’s tweewerelden- theorie. Plato postuleerde de ware geestelijke wereld van de eeuwige, slechts met het verstand waarneembare Ideeën. En die onderscheidde hij van de onware en onbestendige zintuiglijke wereld waarin wij leven. Alles in onze zintuiglijke wereld is volgens Plato slechts veranderlijke schijn, grillige schaduw van de Idee, illusoir drogbeeld. En Kafka gebruikt Plato’s noties, zoals Stach laat zien. Kafka zegt bijvoorbeeld “Er bestaat niets anders dan een geestelijke wereld”. Hij spreekt van de “onverwoestbare” en “eeuwige” wezenskern van elk mens. Ook zegt hij dat alles in de zintuiglijke wereld “bedrog” is. Wat voor lezers van zijn romans geen grote verrassing is, want daarin schetst hij het bestaan als een labyrint vol drogbeelden. Ik vraag mij echter af of Kafka écht in de Platonische Ideeën geloofde. Bovendien benadrukt hij hun onkenbaarheid. Want de Ideeën zijn voor ons, als bewoners van de zintuiglijke wereld, totaal onvoorstelbaar. Net als de derde dimensie dat is voor mensen in een tweedimensionale ervaringswereld. We kunnen van de Ideeën dromen, maar we kunnen ze nooit aanschouwen. Het Eeuwige Zijn kan ons fascineren, maar kennen doen we het niet. Gesteld al dat het bestaat. Bij Plato is de Idee de hoogste waarheid. Bij Kafka lijkt het eerder een metafoor voor de onbereikbaarheid daarvan. Zeker als we denken aan zijn romans, waarin de protagonisten vergeefs jagen op kernen van waarheid. Bovendien, we zagen eerder dat de ‘ware weg’ bij Kafka een smal koorddanskoord is dat naar het onbekende leidt. Het verlangen naar het Eeuwige Zijn wordt daar echter niet minder van. In aforisme 35 staat: “Er bestaat geen hebben, alleen een zijn, alleen een naar laatste adem, naar verstikking smachtend zijn". Met “hebben” wordt gedoeld op de zintuiglijke wereld, en op onze illusie dat wij de dingen goed in de greep hebben en dat wij ze daardoor daadwerkelijk bezitten. Met “zijn” wordt gedoeld op de eeuwige en onveranderlijke wereld van de bovenzinnelijke en eeuwige Ideeën. En “naar verstikking smachtend” duidt op het enorme verlangen om zich radicaal los te rukken van de illusoire zintuiglijke wereld. Want dat is een smachtend verlangen naar de totaal andere lucht van het eeuwige en onverwoestbare Zijn. En dat verlangen gaat samen met de weigering om de lucht van de illusoire zintuiglijke wereld nog langer in te ademen. Maar daarnaast is er aforisme 57: "Taal kan voor alles buiten de zintuiglijke wereld alleen suggererenderwijs, nooit ook maar bij benadering vergelijkenderwijs worden gebruikt, omdat ze naar de aard van de zintuiglijke wereld betrekking heeft op bezit en de ermee verbonden relaties". Kortom: Kafka verlangt vurig naar ‘iets’ wat de illusoire zintuiglijke wereld overstijgt, maar kan totaal niet verwoorden wat dat ‘iets’ is. Want het Eeuwige Zijn onttrekt zich aan onze woorden. Ook aan de woorden in de aforismen. Omdat immers ook die woorden zijn vastgeklonken aan de illusoire wereld die wij denken te kennen. In zijn afsluitende aforisme 109 zegt Kafka bovendien: “[W]ees volkomen stil en alleen”. Die stilte impliceert - volgens andere zinnen in dat aforisme- radicale passiviteit. Radicaler zelfs nog dan puur passief wachten. Suggereert Kafka dat hij elke actieve poging tot kennen afzweert? Dus ook de taal als kennisinstrument? En kiest hij nu voor zwijgende contemplatie? Omdat hij zelfs de taal van zijn aforismen, die net als elke andere taal alleen “suggererenderwijs” functioneert, achter zich wil laten? Zegt hij dat hij zelf volkomen stil en alleen wil zijn, hopend dat het Zijn zich dan toont? Maar wetend dat dit nooit zal gebeuren? Is dát de onmogelijke opgave die hij zichzelf uiteindelijk stelt? Ik weet het niet. Maar ik vind het verleidelijk om het zo te lezen. Ik omcirkelde hierboven enkele thema’s aan de hand van enkele aforismen. Andere lezers zullen die aforismen echter geheel anders interpreteren. Of andere thema’s omcirkelen aan de hand van andere aforismen. Maar ook zij zullen onoplosbare raadsels tegenkomen. Heel andere raadsels dan ik. Als ik deze aforismen herlees zullen mij ook weer andere raadsels opvallen. Dit boekje is kortom onuitputtelijk. Het is dus heel mooi dat het er is.

Reacties

Populair in hetzelfde genre

Boeken van dezelfde auteur