Lezersrecensie

Dertig prachtverhalen vol weemoed, mededogen en hunkering


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
14 jan 2021

Ik hou erg van de oude Russen, en Tsjechov is een van mijn topfavorieten. Bovendien hou ik van geactualiseerde vertalingen van die Russen, en zeker die van Hans Boland: zijn versies van "Anna Karenina" en "Misdaad en straf" vond ik geweldig, zijn vertalingen van proza en poëzie van Poesjkin eveneens. Dus las ik subiet zijn selectie en nieuwe vertaling van dertig Tsjechov- verhalen. Ook al is het hele verzameld werk van Tsjechov ruim tien jaar geleden al op sprankelende wijze opnieuw vertaald, en ook al heb ik dat allemaal gelezen terwijl ik daarvoor de oude vertalingen van Charles B. Timmer eveneens allemaal gelezen heb. Want van Tsjechov krijg ik nooit genoeg, en elke nieuwe versie van hem is mij welkom. Zeker ook deze: soms keek ik wel op van Bolands wat erg eigentijdse en anachronistische termen (zoals "last but not least", "so what", "klote", "geil" of "eikel"), en zijn selectie van dertig verhalen is de mijne niet (ik mis highlights als "Het duel" en "Zaal 6" en persoonlijke favorieten als "Geluk" en "Een trieste geschiedenis"), maar in het prachtige soepele Nederlands van Boland glanst mijn held Tsjechov niettemin volop. Bovendien zou ik bij elke selectie gemopperd hebben, ook bij een top 120. Mooi bij Tsjechov vind ik de enorme, vaak onverklaarde weemoed en melancholie, die dan vaak gepaard gaat met een al even enorme hunkering naar geluk. Dat geluk is illusoir: het is meestal een onbereikbaar drogbeeld, een gedroomd en niet bestaand hiernamaals of een evenzeer gedroomd en geïdealiseerd verleden. Bijvoorbeeld een allerzaligste kindertijd die nooit bestond en nooit heeft kunnen bestaan. Of een liefde die niet te verwezenlijken is, of die direct na de verwezenlijking op een misverstand blijkt te berusten. Dromen dus vol van tragikomische ontoereikendheid. Maar die dromen zijn in al hun vergeefsheid wel uiterst essentieel, onontbeerlijk zelfs, en Tsjechov zet ze ongelofelijk prachtig op papier. Zoals hij ook de melancholie enorm pregnant op papier zet, tot op het adembenemende af, waardoor die dromen- die niet in de werkelijkheid maar alleen uit verlangen bestaande verlossingen van alle treurnis- zelfs nog indringender worden dan dat ze op zichzelf al zijn. Want juist de diepte van de melancholie onderstreept de noodzaak van het snakken naar geluk, hoe illusoir ook. Bovendien oordeelt Tsjechov nergens over zijn melancholieke dromers, en veroordeelt hij nooit de naïveteit van hun dromen. Wel bekijkt hij die vergeefse en soms hoogdravende dromen soms met een ironische glimlach, maar die is dan steeds vol weemoed en mededogen. En ik hou van die glimlach en dat mededogen. Zoals ik ook hou van Tsjechovs briljante vermogen om heel veel treurigs en grappigs niet expliciet uit te melken, maar via terzijdes of terloopsheden te suggereren. Daarmee vermijdt hij sentimentaliteit en effectbejag. Precies dat maakt de weemoedige glimlach voor mij zo subtiel, en zo overtuigend. Mooi vond ik bovendien hoe Tsjechov in al deze dertig verhalen de melancholie en hunkering met elkaar verknoopt, zodat de melancholie de hunkering voedt en de hunkering de melancholie. In veel van zijn verhalen is dat gekoppeld aan de uitzichtloze armoede en de volstrekte desolaatheid van verpauperde boeren, of van andere simpele zielen die hun afgestomptheid alleen kunnen verlichten met drank. In veel andere verhalen gaat het dan weer om de innerlijke leegte van de wat rijkeren, die grootse idealen zouden willen beleven of grootse liefdes, maar niet weten welke en hoe. Soms, bijvoorbeeld in het schitterende verhaal "De vrouw met het hondje", lijkt het te gaan om liefde (of de illusie van liefde) als enig (uiteraard ontoereikend, maar ook onontbeerlijk) weermiddel tegen eindigheid, leegte en verval. Maar vaak zijn de melancholie en de hunkering onbestemder, en juist daardoor allesdoordringender. En dat maakt Tsjechov dan voelbaar in zijn vele, vaak magnifieke natuurbeschrijvingen. Bijvoorbeeld in de tweede alinea van zijn prachtverhaal "Verloofd": "In de tuin was het stil en koel; over het gras lagen donkere, roerloze schaduwen. Van heel ver weg, mogelijk zelfs van buiten de stad, klonk de roep van de kikkers. Mei, de lieve meimaand, was aangebroken! De lucht nodigde uit tot diep inademen en tot gedachten aan de geboorte van een andere lente, buiten in de bossen en velden, mysterieus, wondermooi, weldadig en heilig, ontoegankelijk voor de zwakke, zondige mens. Je zou zomaar willen huilen". Hier overweegt naar mijn gevoel de aanstekelijke jubel, en dus de aanlokkelijkheid van de "andere lente" met zijn gedroomde nieuwe geluk, al klinkt tegelijk het melancholieke besef door dat deze lente "ontoegankelijk" is voor zwakke, zondige mensen. En zwak zijn wij volgens Tsjechov allemaal, zwak en hunkerend. In andere natuurbeschrijvingen, zoals de nu volgende uit het imponerende en lange verhaal "Steppe", overweegt juist de melancholie: "Jegoerosjka zat nog altijd naar de slapende hoofden te kijken, toen hij plotseling heel zacht hoorde zingen. Het was een vrouwenstem, maar waar deze precies vandaan kwam kon hij niet vaststellen, van ver weg ergens, nu eens van links, dan weer van rechts, soms van boven, soms zelfs van onder de grond. Het was een slepende, klaaglijke melodie, die bijwijlen overging in geween of geheel wegstierf. Alsof er een onzichtbare geest boven de steppe zweefde die dit stille, onbestemde treurlied zong. Jegoerosjka keek om zich heen en begreep er niets van. Maar toen hij goed luisterde had hij de vreemde gewaarwording dat het de uitgeputte, verkwijnde vlakte zelf was, die door het gras heen zong, een klacht zonder woorden, maar aanhoudend, dwingend: haar trof geen schuld dat de zon haar zinloos verschroeide, ze wilde zo graag verder leven, zo ontzettend graag, ze was nog zo jong en ze zou zo mooi hebben kunnen zijn als de hitte en droogte haar hadden gespaard! Zij kon er niets aan doen, maar toch was zij het die vergiffenis vroeg, zonder dat duidelijk werd aan wie, zij vroeg vergiffenis voor het gras en bezwoer dat ze ondraaglijke pijn leed, smarten doorstond, haar lot beweende....". Prachtig, hoe de hele eindeloze steppe het treurlied van hunkering en melancholie lijkt te zingen.... Schitterend, hoe het jongetje Jegoerosjka even helemaal wordt opgezogen door precies dat lied..... Intrigerend is bovendien hoe elk Tsjechov- verhaal open eindigt, en ook niet anders dan open lijkt te kunnen eindigen. Want het lijkt wel alsof het leven van zijn personages alleen uit onoplosbare dilemma's bestaat, uit ambiguïteiten die zich niet voor een eenduidig slot lenen. Of uit onvoorspelbaarheden met ongewisse afloop. In de levens van Tsjechovs personages lijkt soms geen enkele kern te bestaan, zodat alles een toevallig terzijde wordt, of een afdwaling van een kern die er niet eens aanwijsbaar is. Het net aangehaalde verhaal "Steppe" bijvoorbeeld is een eindeloze dwaaltocht door een eindeloze uitgestrektheid of leegte waarin elk oriëntatiepunt ontbreekt, en door de plotloosheid van het verhaal wordt precies die dwaaltocht in de leegte een structuurelement van het hele verhaal. Ook Tsjechovs andere verhalen hebben geen climax, vaak zelfs geen middenstuk, meestal ook geen erg duidelijk begin. De 'boodschap' is meestal pluriform, en bovendien impliciet: Tsjechov houdt erg van suggesties, sfeerbeelden, ogenschijnlijk onbenullige details die ons veel lijken te vertellen maar zonder ooit eenduidig te zeggen wat ze precies vertellen. Zijn verhalen verlopen kortom vaak onbestemd, en eindigen vaak in onbestemde openheid. Soms in een sfeer van treurigheid: "Zijn krachten begaven het en hij liet zich op het bankje vallen om bittere tranen te schreien ter begroeting van het nieuwe, onbekende leven dat voor hem lag en waarvan niemand kon zeggen hoe het eruit zou zien"". Maar soms gaat het open einde samen met een voorzichtige hoop, een openheid die - weliswaar onzekere- perspectieven biedt: "Nog even, zo leek het, en ze zouden de oplossing vinden, waarna er een nieuw, prachtig leven zou beginnen. Ze begrepen allebei dat het einde van hun liefde nog lang niet in zicht was en dat het moeilijkste nog moest beginnen". Zeer wezenlijk voor Tsjechov, zulke open verhalen met open eindes. In zijn essay over Tsjechov in "Lectures on Russian literature" zegt Nabokov het mooi: "The story does not really end, for as long as people are alive, there is no possible conclusion to their troubles or hopes or dreams". Juist hun openheid maakt de verhalen dus zo authentiek, of - vergeef mij het cliché- zo levensecht. En bovendien zo onvoorspelbaar en verrassend. Ook nu ik ze voor de derde keer weer lees. Ja, Tsjechov lezen was weer een feest. Wie weet lees ik over een paar jaar gewoon al zijn bij Van Oorschot vertaalde verhalen weer opnieuw. Of eerder al de verhalen die niet bij Bolands beste dertig zaten. Misschien ook de toneelstukken. Want zoals ik al zei: van Tsjechov krijg ik nooit genoeg.

Reacties

Populair in hetzelfde genre

Boeken van dezelfde auteur