Lezersrecensie
Spaarzaamheid en stilte
13 jan 2016
Ik heb alle boeken van Torgny Lindgren met veel plezier gelezen, ook dit laatste boek weer. Hij schrijft heel ‘stille’ boeken, die het vooral moeten hebben van suggestie ‘tussen de regels door’. In dit boek bijvoorbeeld beschrijft de hoofdpersoon als volgt de eerste keer dat hij zijn geliefde zag: ‘Bij haar neuswortel zat een heel klein moedervlekje. Dat vergeet ik nooit’. Twee korte zinnen slechts, een korte impressie van een enkel voor de verteller betekenisvol visueel detail: that’s it.
Zo gaat het bij Lindgren vaker. ‘Ik had geen andere bedoeling dan om op zinnige en passende wijze de tijd te verdrijven terwijl ik afwacht tot ik terugkrijg wat ik ben kwijtgeraakt’, zegt de hoofdpersoon tegen iemand. Waarop het laconieke antwoord luidt:’ Dat geldt voor ons allemaal […]. Dat wachten wordt ook wel levensinvulling genoemd’. Ook hier weer die voor Lindgren zo kenmerkende spaarzaamheid en stilte. En tevens een zekere ironische weemoed: zijn boeken zitten vol gemis en vergeefs wachten, en zijn dus best tragisch, maar tegelijk wordt die tragiek gecombineerd met een voor mij erg inspirerend soort laconieke lichtheid. Ook produceert Lindgren werkelijk de ene geniaal diepzinnige en suggestieve zin na de andere. Bovendien doet hij in elk boek een appel op de lezer om het bestaan te accepteren als een rijk maar ook onoplosbaar mysterie. Verwerp elke verklaring en verwonder u, zegt hij in feite. En daar hou ik wel van.
Hoofdpersoon van dit boek is iemand die door een medisch gebrek niet kan lezen, en die verslingerd raakt aan de verhalen van zijn opa (die hem de hele wereldliteratuur navertelt), maar vooral aan de Bijbelprenten van Doré. Juist door die prenten wordt de bijbel van Doré voor hem het Boek der Boeken, en meetlat van de allerhoogste kunst. Hij raakt het boek kwijt, krijgt het in de geniale surrealistische slotscène van het boek ook weer terug, maar is vooral bezig het kwijtgeraakte boek vanuit zijn geheugen lijntje voor lijntje weer te reconstrueren. Bovendien reconstrueert hij zijn leven, door alles na te vertellen in een bandrecorder. Voor iemand die lezen kan is een prent van Doré niets meer dan illustratie bij de tekst. Voor de hoofdpersoon echter is het een wereld op zich. De ongeletterdheid is dus geen gebrek: ‘Er hebben nooit letters tussen mij en de wereld in gestaan’.
Door zijn ongeletterdheid en zijn marginale positie kijkt de hoofdpersoon dus veel intenser dan anderen naar prenten van Doré. Eén prent kan al een week bestudering vergen, met vergrootglas. ‘Het vergrootglas deed de afstand tussen het oog en datgene wat bekeken werd teniet, pupil en netvlies gingen een verbond aan met de vlek die we bekeken of versmolten ermee tot een eenheid die we het Zien plachten te noemen’. En wie dat wil kan (aldus de hoofdpersoon) ook elk detail van het eigen leven op dezelfde intense en aandachtige wijze bekijken. Een mooie gedachte. Bovendien zegt de hoofdpersoon treffende dingen over diverse Doré-prenten (die in dit boek zijn afgebeeld). Ook mooi is zijn gedachte dat de wereld lijn voor lijn moet worden getekend: ‘Hoe meer vlijt ik in de vervolmaking van de vorm leg, hoe meer ik aan elke lijn werk, des te dieper dringt het onderwerp zelf mijn ziel binnen. Daarna kan ook de bekijker in elke afzonderlijke streep het complete onderwerp in zijn volle, vreeswekkende omvang aanschouwen’. En ook zegt hij prachtige dingen over taal en betekenis, zoals: ‘Het alfabet is een hoogst onbeduidend topje van een golf in de onmetelijke zee van de taal. Dat kleine aantal letters stelt in vergelijking met de ontelbare klanken die de aanduiden niets voor. En zelfs de klanken zijn slechts tijdelijk en toevallig waarneembare toespelingen op de complexiteit en de enorme omvang van de eigenlijke, onderliggende taal’.
Daarmee geeft hij echter meteen aan dat elk door hem uitgesproken woord alleen maar een golfje is in de onmetelijke zee van de taal, zoals ook elke tekening (hoe nauwkeurig ook) alleen maar één van de vele dingen in deze onmetelijke wereld kan afbeelden. De hoofdpersoon wordt door de buitenwereld als idioot beschouwd, maar zelf ziet hij dat niet zo, en in mijn beleving is hij vooral een buitenstaander die zijn marginale positie koestert. Hij heeft daardoor een ander perspectief op de bestaansmysteriën dan anderen, en meer aandacht voor onopgemerkte details en ongerijmdheden. Tegelijk echter suggereert Lindgren op subtiele wijze dat de hoofdpersoon te kampen heeft met een weemoedig gemis, en dat veel van zijn inzichten misschien drogbeelden of illusie zijn. De hoofdpersoon staat daarmee m.i. model voor de kunstenaar, die zich ‘buiten’ de normale maatschappij begeeft maar daarmee nog niet de waarheid in pacht heeft. Hij zegt veel mooie dingen, maar het waarheidsgehalte is steeds hoogst onzeker. Kunst kan een harmonie en intensiteit bereiken die de alledaagse werkelijkheid niet heeft, maar toch is kunst per definitie ook een vervalsing van die werkelijkheid. Een geheel juiste afbeelding biedt kunst immers nooit, want daar is de werkelijkheid te complex voor.
Veel passages in dit boek gaan dan ook over leegte, het Niets, het ontbreken van een duidelijke grond. Bovendien is de taal (zoals gezegd) een oneindige zee van betekenissen, en is de wereld te veelvormig om afgebeeld te kunnen worden. Het leven is een peilloos mysterie, lijkt Lindgren te willen zeggen: de kunstenaar kan niets anders doen dan enkele facetten van dit mysterie lijn voor lijn natekenen, de schrijver kan niets anders doen dan zoeken naar woorden. Maar uiteindelijk moeten zowel de kunstenaar als de schrijver accepteren dat ze sprakeloos staan voor het rijke en veelvormige raadsel van de wereld. Evenals de lezer. Acceptatie van die sprakeloosheid, en toch woorden en beelden voor die sprakeloosheid zoeken: dat is volgens mij waar het Lindgren om gaat.