Lezersrecensie
Verlangen naar eenheid van gewaarwording en verbeeldingskracht
16 jan 2020
Ik heb de laatste tijd vrij veel van Handke gelezen, en genoot meestal van zijn eigenzinnige ongrijpbaarheid en poëtische suggestiviteit. Maar "De Chinees van de smart" was voor mij nog ongrijpbaarder en raadselachtiger dan de andere mij bekende Handkes. Aanvankelijk kon ik er geen chocola van maken. Zo ergens op de helft wou ik dus niet meer verder. Maar ja, al googelend vond ik een recensie in "Die Zeit" die veel voor mij verhelderde. Mede daardoor begon ik te beseffen dat ik te gehaast en met te weinig aandacht aan het lezen was. Bovendien begon mij op te vallen dat dit boek weliswaar meer brabbelende en voor mij onbegrijpelijke orakeltaal bevatte dan andere mij bekende Handkes, maar dat sommige zinnen toch wel weer bloedmooi waren als je er maar de tijd voor nam. Dus las ik toch door, maar nu veel langzamer en aandachtiger, en vaak pauzerend en soms terugbladerend. En nu ben ik alsnog helemaal tevreden.
Hoofdpersoon is een docent oude talen en archeoloog, die zich afgewend heeft van werk, gezin en wereld. "Loser" is zijn naam, wat je dan niet op zijn Engels moet uitspreken, maar - aldus tenminste Loser zelf- moet opvatten als verwijzing naar oud- Duitse woorden voor luisteren en horen. Vaak duidt hij zichzelf bovendien aan als "de beschouwer". Kijken en luisteren is met andere woorden de kern van zijn wezen, zoals ook het aandachtig opdelven van archeologische verborgenheden uit diepe aardlagen, of het horen van verloren betekenissen in de oude woorden. Ook is hij een kenner van de klassieke, in moderne tijden vergeten drempelsymboliek: de drempel of grens als mystieke markering van de overgang tussen levenssferen, zoals tussen leven en dood, of tussen de profane aardse wereld en de wereld van het heilige (een drempel of grens die in sommige mythen of initiatieriten de overgang markeert tussen leven, dood en wedergeboorte), of tussen waken en slapen, of tussen de wereld van onbewuste associaties en de wereld van de ratio. Allemaal pre-logische zaken die hun betekenis hebben verloren in onze al te homogene, chaotische en kleurloze wereld, aldus Loser. Maar hijzelf kan er, als archeoloog, nog wel over mijmeren, en is ook extra gevoelig als anderen ineens verbaal leeglopen over de symboliek van de drempel of over andere schaarse momenten van betekenisvolle mythische volheid in de verder zo lege wereld.
Dat alles lijkt mooi en romantisch. Maar toch, er is iets scheef in Losers blik, iets fout in zijn gehoor. Er is een soort van innerlijke leegte en gedempt gevoel van gemis, dat tussen de regels van zijn cryptische zinnen door steeds voelbaarder wordt. Op enig moment zegt hij daar zelf over: "Iets bleef uit, en zonder dat iets was het zich wenden tot welk ding dan ook telkens niet meer dan een voorbarige beweging. Voorbarig zijnde, verloor het toewenden echter alle grond: het ding hield op een ding van de wereld te zijn. 'Iets blijft uit' wilde zeggen: er was plaats in mij, maar die werd niet bezet. Ik wachtte niet op wat uitbleef: ik kon er niet op wachten - ik mocht er niet op wachten. Er was alleen die lege plaats in mij - en het niet opgevuld zijn ervan heette verdriet". Mooie zinnen, als je ze tenminste met aandacht leest. Des te pregnanter is dat Loser dit zegt niet lang na een volkomen gratuite, bijna impulsief- toevallige moord op een neo-Nazi. Extra bevreemdend is bovendien dat zelfs die heftige daad zijn innerlijke leegte niet vult met bijvoorbeeld wroeging of wanhoop of met na-sidderende haat tegen de neo- Nazi die hij net heeft omgebracht. Er is alleen leegte, en onbestemd verdriet, en het gedempt deprimerende besef dat geen enkel geluid of beeld van de wereld zinvol resoneert in zijn innerlijk. Vroeg in het boek zegt Loser dat hij ergens wel beseft dat hij elke dag mee moet doen in werk en gezinsleven: "Pas op zo'n manier doet zich voor mij, nu en dan, zo iets als een wereldomtrek voor". Maar die "wereldomtrek" is er alleen maar "nu en dan", en nu hij zich helemaal onthecht heeft van alles heeft Losers wereld kennelijk nauwelijks omtrekken meer....
Die innerlijke leegte, die vormloosheid van Losers wereld, en de daaraan gepaarde ongearticuleerde maar alles doordrenkende innerlijke crisis, wordt door Handke mooi voelbaar gemaakt. Dat doet hij niet door Loser expliciete uitspraken over zijn innerlijke crisis in de mond te leggen, maar door ons mee te voeren met hoe Loser naar de wereld kijkt, en ons de onsamenhangende werelden voor te zetten zoals Loser die ziet. Tegelijk laat hij ons ook meeleven met Losers bewondering voor Vergilius "Georgica": Loser bewonder dat gedicht zo omdat daarin de alledaagse voorwerpen en natuurverschijnselen nog in een soort oorspronkelijk licht tot schijnen konden komen en vanuit een soort zingevend bezield verband werden bezien. "Op deze voorwerpen heeft de gerechtigheid, misschien, voordat ze zich uit de wereld terugtrok, haar omtrekken achtergelaten", mijmert Loser. Zelfs zegt hij: "Terwijl ik opkeek kwam juist ergens vandaan een auto de kanaalbrug opdraaien, en dank zij de verzen van Vergilius was zijn glans van een bijzonder blauw". Maar dat soort momenten van bijzondere glans zijn zeldzaam: Vergilius' "gerechtigheid" lijkt kortom voorgoed verdwenen, en ook de gehoopte "achtergelaten omtrekken" daarvan lijkt Loser minder en minder te kunnen zien.
Niet voor niets mijmert Loser over "het zwarte gat en de oneindigheid zelf" van een wereld zonder goden, waarin de mens helemaal alleen is en geen enkel richtpunt meer heeft. En niet voor niets zegt hij: "Dat alleen ik, de mens, was, met het richtpunt dood, leek even evident als ondenkbaar. Er ontbrak daarbij iets, maar geen Christus, en geen goden, en geen onsterfelijke ziel, maar iets lijfelijks: een zintuig, en wel het beslissende, zonder hetwelk windsuizen en trolleybussen onvolledig blijven". Want zelfs simpele trolleybussen zijn voor Loser volkomen betekenisloos: hij ziet ze wel, maar hem ontbreekt het zintuig voor echt ervaren en gewaarworden, dus het zintuig of het waarnemingsvermogen dat de dingen betekenis geeft. Iets later preciseert hij dat nog: "Hoe zou ik toch preciezer het zintuig kunnen omschrijven waarvan ik het gemis zo voelde? - Voor deze eenheid van gewaarwording en verbeeldingskracht (het is vooral dat waardoor het wordt bepaald) bestaat misschien alleen in het Grieks maar het goede werkwoord: dit heeft als eerste betekenis slechts 'zien' of 'opmerken'; en toch spelen daar ook de betekenissen 'wit', 'helder', 'schittering', 'glans' in mee. Iets in mij hunkerde gewoonweg naar dit lichtschijnen, dat nog meer is dan beschouwen in welke vorm ook. Ik zal altijd naar die vorm van schouwen blijven verlangen, die in het Grieks 'leukein' heet". Prachtig, naar mijn smaak: een kijken dat veel meer is dan kijken omdat het door verbeelding wordt gevoed, een schouwen dat veel meer is dan schouwen omdat het tegelijk licht schijnen op de dingen is, een gewaarwording die de dingen niet alleen opmerkt maar in nieuwe schoonheid herschept...…. DAT is wat Loser mist en DAT is waar hij met elke blik op de wereld vergeefs naar snakt. Daarin gesterkt door het vermoeden dat Vergilius dit in "Georgica" mogelijk nog wel kon, maar gefnuikt door het besef dat hijzelf dat in het geheel niet kan. Ook niet nu hij zich afgewend heeft van werk, familie en de versimpelende conventies.
Aanvankelijk dacht ik dat dit puur een roman was over het gemis van "leukein", dus over het ontbreken van een schouwende blik die door zijn verbeeldingskracht de dingen nieuwe glans en betekenis geeft. Maar toen ik aandachtiger en oplettender ging lezen merkte ik dat het ook een roman is waarin die schouwende blik alsnog, heel tastend en voorzichtig, tot stand komt. Dat gebeurt in passages waarin Loser een soort rudimentair contact herkrijgt met werk en familie, en daarmee weer een soort nieuwe grond vindt zonder zijn vervreemding geheel te verliezen. Of in de suggestieve passages waarin Loser zich opnieuw doopt in een door Vergilius bezongen rivier: een soort initiatierite van dood en wedergeboorte, lijkt het wel, en wellicht een van die drempelervaringen waarover Loser al langer mijmert. Ook significant zijn volgens mij de scenes waarin hij met veel geduld wacht op het aanschouwen van nieuwe betekenissen, terwijl hij - hoe symbolisch- aandachtig verwijlt op een brug die onbekende, nog te exploreren oevers verbindt.
Maar het ontwaken van Losers schouwende blik gebeurt naar mijn smaak nog veel overtuigender in passages die inderdaad barsten van Losers uit vervreemding gepuurde verbeeldingskracht: een verbeeldingskracht die zijn blik weer vrijmaakt voor nieuwe onconventionele beelden en betekenissen, waardoor hij de dingen volgens mij met zijn blik een originele nieuwe glans geeft. Bijvoorbeeld: "Navenant klein is immers ook het vliegveld; als was het geen deel van de stad, maar buitenpost in een kolonie. De berken voor de hal waren sneeuwwit, en bij een lariks beschilderde het lichtgevende groen van de jonge spruiten de boom als met piepkleine exotische vogeltjes. De van steenblokken gemetselde raket op het voorplein werd daaronder op het gazon herhaald door een eender gevormde, nog niet ontloken krokusbloem, waarvan het violet startklaar door de zilvergrijze schutbladen heen kwam". Of de volgende, wel heel aparte natuurbeschrijving: "Tussendoor was het zo stil geweest, dat in de bergen de watervallen zich lieten horen. Later bruiste van het ene eind van de vlakte naar het andere een eigenaardig sonore melodie: in de halfslaap - die eigenlijk een bijzonder soort wakker- zijn was- gaven de afzonderlijke geluiden op elkaar antwoord en werden daardoor tonen. Op een treinsignaal antwoordde het bolderen van een stalen rooster onder rollende banden. Het bolderen werd overgenomen door een blaffende hond. Het hondengeblaf werd een toon door het erop volgende bomenruisen, dat op zijn beurt overging in het alles in zich opnemende ruisen van een korte regenbui. Goed beschouwd ging het niet om een melodie, maar om een zich tot in het oneindige voortzettend leidmotief. Elk nieuw geluid dat erbij kwam speelde het gegeven motief, dit daarmee versterkend, verder. Elk ding dat een geluidtoon gaf, werd als het ware in de verbeelding buikig en ging vibreren, tot instrument veredeld. Het waren vooral tokkel- , slag-, en blaasinstrumenten die klonken, met een sporadische, maar nauwkeurig bemeten gestreken toon daartussen, als van een dichtvriezend bergmeer. Het regengeruis werd ritmisch gemaakt door een vibrafoon- achtig klokken diep onder het wegdek, dat uit de cirkelronde openingen van het rioolputdeksel kwam". Het Duitse woord voor "verbeeldingskracht" is "Einbildungskraft", en sommige denkers vatten dat woord letterlijk op als het vermogen om allerlei ogenschijnlijk heterogene fenomenen te verzamelen of te bundelen in één krachtig samengebald beeld: "Ein- Bild- ungskraft". Welnu, precies dat samenballende vermogen demonstreert Handke volgens mij hier, en ook elders in "De Chinees van de smart", op een naar mijn smaak inspirerend originele wijze. Steeds gaat het dan om "beelden" waarin andere betekenissamenhangen ontstaan dan in conventionele of logische betogen: "beelden" waarin iets wordt samengebald zonder dat je logisch of helder in taal kunt parafraseren wat dit "iets" is. En precies dat maakt Handkes "beelden" en :"Einbildungskraft" voor mij zo fascinerend.
Op veel pagina's is "De Chinees van de smart" een roman vol van pregnant en origineel beschreven gemis. Maar later merkte ik dat hij bovendien ook goed is gevuld met voorbeelden van onconventionele vormen van gewaarwording en samenballende verbeeldingskracht: bijvoorbeeld natuurbeschrijvingen zoals boven geciteerd, maar ook allerlei ongrijpbaar fraaie beschouwingen over drempelervaringen, grenservaringen, en miskende schoonheid. Naast gemis van echte gewaarwording evoceert Handke dus ook de nodige origineel verwoorde gewaarwording, in suggestieve raadselachtige beelden. En vooral daarom vond ik deze, naar mijn smaak soms vrij irritant- orakelende roman, uiteindelijk toch weer helemaal oké.