Lezersrecensie
Een schokkend maar liefdevol portret van Suriname
5 jan 2021
Raoul de Jong groeit op aan de Westkruiskade in Rotterdam, de meest Surinaamse straat van de stad, als kind van een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader. Zijn uiterlijk weerspiegelt beide ouders, helderblauwe ogen, een bruine huid en kroeshaar. Zijn vader kent hij niet en zijn moeder voedt hem op met de gedachte dat hij anders mag zijn, in alles. Alle bijzonderheden zijn winst. Zijn vader mist hij niet, hij heeft een moeder, drie tantes, een oom een opa en oma in Groningen en blonde neefjes en nichtjes. Hij is een bruin stipje in een witte wereld.
Als hij achtentwintig is, krijgt hij een mailtje waarin de boodschap: Ik ben op zoek naar mijn zoon, Raoul de Jong. ‘Het voelde alsof alles verkruimelde, alsof ik was gesnapt.’ Vader en zoon ontmoeten elkaar. Vader blijkt niet een ‘Umberto Tan of Denzel Washington.’ Hij is klein en tenger, precies als Raoul zelf. Raoul ontdekt nogal wat overeenkomsten, is verrast, maar er zijn ook verschillen. Zijn vader blijkt overtuigd en streng christen. Hij vertelt een en ander over zijn voorouders, waaronder een soort medicijnman, Jaguarman. Hij kon zich veranderen in een jaguar. Maar Raoul moet zich maar niet met hem bezighouden, het is tovenarij, en zijn vader wil daar niets van weten.
Dit alles roept bij de schrijver een verlangen wakker. Hij wil meer weten over de Jaguarman, Suriname en het Afrikaanse verleden van zijn voorouders. Hij besluit voor een paar maanden naar Suriname te gaan. Het wordt een intrigerende reis. Voor Raoul zal de wereld erna nooit meer dezelfde zijn. Hij ontdekt dat er zoiets bestaat als een Surinaamse geschiedenis, een eigen rijke cultuur en bovenal een dramatisch verleden, waarover in de Nederlandse geschiedenisboekjes niet of nauwelijks gesproken wordt.
Suriname krijgt op een heel bijzondere manier kleur en diepte. De Jong ontmoet in het land schrijvers en andere kunstenaars die hem invoeren in het verleden van het zo geteisterde land. Schokkend is het om te lezen hoe onze voorvaderen het land hebben misbruikt, zich verrijkt hebben door slavernij en hoe zij de gekleurde mens en zijn cultuur minachtten. Maar ook ontmoet hij mensen die nog altijd met en in de natuur leven en die met respect behandelen. Van hen leert hij dat de natuur een eigen behandeling vraagt en dan ook veel teruggeeft.
‘Les vier van de wildernis: er is geen plaats voor Nederlandse vrijpostigheid. Het bos bepaalt de regels, niet jij. Dat maakte lopen door het bos als dansen. Het bos bepaalt het ritme van mijn passen. Hoofd naar links voor een palmblad, hoge stap over een omgevallen boom, bukken voor een dikke liaan.’
Grote leidraad, naast de vele interessante ontmoetingen tijdens zijn reis, is voor Raoul de Jong het boek van Anton de Kom, Wij slaven van Suriname, waarin is vastgelegd hoe onmenselijk de behandeling tijdens én na de slavernij was. Een boek dat eigenlijk verplichte leesstof zou moeten zijn voor ons allemaal.
De opzet van het boek is bijzonder, terug in Nederland zal de schrijver een winti-ritueel ondergaan van een week. Kruidenbaden, puur eten enzovoort. In die week schrijft hij elke dag een brief aan de Jaguarman, die helemaal geen tovenaar blijkt te zijn, maar eigenlijk in ons allen schuilt. In die week doet hij verslag van zijn reis en ervaringen in zijn vaders land. Overigens, in werkelijkheid heeft dit boek hem zeven jaar studie gekost.
Een onvergetelijk boek, filosofisch, maar ook geestig en toegankelijk geschreven. Een waardevolle aanwinst voor wie meer wil weten en begrijpen van een wereld die wij veel te lang miskend hebben.
Miriam Vaz Dias