Lezersrecensie
Eigenzinnige metaroman die niet voor iedereen is weggelegd
21 jan 2020
<em>‘Zo lang ik me kan herinneren ken ik zulke afwezigheden in de tijd, korte onderdompelingen van het bewustzijn. Misschien is er een neurologische uitleg voor, maar ik heb er altijd de voorkeur aan gegeven te geloven dat mijn geest daadwerkelijk ergens anders is geweest. Gekromde ruimte, uitdijend heelal.’</em> (p. 135)
Altijd spannend, die tweede roman. Iedereen verwacht de wereld van je na dat wervelende debuut, kun je aan die hooggespannen verwachtingen van de literaire goegemeente voldoen? Even los van of je dat überhaupt moet willen: Niña Weijers blijkt dat zeker te kunnen. Met <em>Kamers antikamers</em> heeft ze een delicate roman geschreven boordevol fijnzinnige en originele vondsten.
Wel is het een pietsie té eclectisch en postmodern naar mijn smaak. Ik zag aardig wat (technieken van) Woolf in het verhaal terug, maar haar <em>To the Lighthouse</em>, hoewel vele malen stugger om te lezen, trok ik een stuk beter. Waar bij mij de schoen wringt is de – in mijn beleving – behoorlijk verwarrende verhaalconstructie. Regelmatig werden er tijdsprongen of perspectiefsprongen naar (schijnbaar) andere personages gemaakt, sprongen die ik soms maar moeilijk kon volgen. Vervolgens was ik meer bezig met de vraag of de ik-persoon van fragment X dezelfde ik-persoon in fragment Y was (en zo niet, met wie ik dan de eer had) dan me te verliezen in de talloze poëtische en filosofische zinnen die Weijers opdist.
Ik verloor mezelf wel in het verhaal, maar niet per se om de juiste redenen.
Dat kan aan mij liggen, want het staat buiten kijf dat Niña Weijers iets bijzonders heeft gedaan met <em>Kamers antikamers</em>. Namelijk: haar volkomen eigen ding. Wat heet, ze integreert zelfs het commentaar van haar redacteur in de verhaallijn, introduceert een foto van een hond zonder toelichting, laat één van de hoofdpersonen van geslacht veranderen en vice versa – en het werkt. Grotendeels.
Ze deinst er, kortom, niet voor terug om flink te experimenteren met het medium van de roman, met haar taalgebruik, met het begrip ‘werkelijkheid’ en hoe die onvermijdelijk verweven raakt met menselijke herinneringen. Vrijwel alles wordt door haar aan de kaak gesteld en de manier waarop ze dat doet getuigt van eruditie en vakmanschap. Het resultaat is een hoogst eigenzinnige metaroman die beslist niet voor iedereen is weggelegd.