Lezersrecensie
De middelvinger van Hermans
13 jan 2023
Ik-figuur Alfred reist voor zijn promotieonderzoek af naar Lapland om te bewijzen dat daar meteorietkraters zijn. Onderweg wordt hij tegengewerkt door conservatieve wetenschappers en vervolgens door de weidse natuur en zijn slapeloosheid.
Ik liet dit boek lang links liggen omdat ik weinig met geologie heb. De geologie is echter maar bijzaak, het verhaal draait vooral om existentiële kwesties en behandelt onder meer de relatie tussen mens en landschap, identiteitsvorming, ouder-kindrelaties en obsessieve gedachten. Verder is het vertelperspectief interessant.
Hermans schrijft namelijk in de onvoltooid tegenwoordige tijd waardoor je constant in de actie en actuele gedachten van Alfred zit (‘Ik klop aan. In de kamer roept iemand een woord dat ik niet versta. Ik open de deur, repeterend wat ik zeggen moet’). Met zo’n perspectief zit je als het ware gevangen in het moment. Dit werkt goed omdat de leeservaring Alfreds onthechte staat weerspiegelt en evenredig warriger wordt als zijn slaapproblemen toenemen.
Maar wie goed oplet ziet dat ‘het nu’ op enkele momenten verschuift, niet langer Alfreds directe ervaring kan zijn en een reflectie van achteraf lijkt. Deze korte speldenprikjes maken het verhaal wat raadselachtig. Veel literatuurcritici zochten naar een sluitende verklaring en rechtvaardiging voor die stijl. Mij dunkt dat er binnen de kaders van de vertelling geen afdoende verklaring te geven is. Ik zie vooral een lachende Hermans die het leuk vond om zijn critici te sarren.
Ik-figuur Alfred reist voor zijn promotieonderzoek af naar Lapland om te bewijzen dat daar meteorietkraters zijn. Onderweg wordt hij tegengewerkt door conservatieve wetenschappers en vervolgens door de weidse natuur en zijn slapeloosheid.
Ik liet dit boek lang links liggen omdat ik weinig met geologie heb. De geologie is echter maar bijzaak, het verhaal draait vooral om existentiële kwesties en behandelt onder meer de relatie tussen mens en landschap, identiteitsvorming, ouder-kindrelaties en obsessieve gedachten. Verder is het vertelperspectief interessant.
Hermans schrijft namelijk in de onvoltooid tegenwoordige tijd waardoor je constant in de actie en actuele gedachten van Alfred zit (‘Ik klop aan. In de kamer roept iemand een woord dat ik niet versta. Ik open de deur, repeterend wat ik zeggen moet’). Met zo’n perspectief zit je als het ware gevangen in het moment. Dit werkt goed omdat de leeservaring Alfreds onthechte staat weerspiegelt en evenredig warriger wordt als zijn slaapproblemen toenemen.
Maar wie goed oplet ziet dat ‘het nu’ op enkele momenten verschuift, niet langer Alfreds directe ervaring kan zijn en een reflectie van achteraf lijkt. Deze korte speldenprikjes maken het verhaal wat raadselachtig. Veel literatuurcritici zochten naar een sluitende verklaring en rechtvaardiging voor die stijl. Mij dunkt dat er binnen de kaders van de vertelling geen afdoende verklaring te geven is. Ik zie vooral een lachende Hermans die het leuk vond om zijn critici te sarren.