Lezersrecensie

Zolang als jij zegt dat dit mooi is


Ezra de Haan Ezra de Haan
12 jan 2016

<p>Michel van Kempen (1957) schreef verschillende boeken over de Surinaamse literatuur als <em>De geest van Waraku</em> (1993) en <em>Woorden op de westenwind</em> (1994) en stelde bloemlezingen samen als <em>Hoor die tori!</em> (1990), <em>Spiegel van de Surinaamse po&euml;zie</em> (1995), <em>Ik zal zingen om de zon te laten opkomen</em> (1991) en <em>Torent een man hoog met zijn po&euml;zie</em> (2012). De laatste twee bevatten een ruime keuze uit het werk van de Surinaamse dichter Micha&euml;l Slory. Verder schreef van Kempen de roman <em>Plantage Lankmoedigheid</em> (1997), en de verhalenbundels <em>Nirwana is een lege trein</em> (2000) en <em>Pakistaanse nacht</em> (2002). Magistraal en van groot belang is zijn <em>Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur</em> (2003). Ondanks zijn indrukwekkende productie was er tot nu toe een hiaat in oeuvre. Met <em>Wat geen teken is maar leeft</em> schreef Michiel van Kempen de dichtbundel die aan zijn bibliografie ontbrak.<br /><br /> Van alle boekenkasten vol po&euml;zie die Michiel van Kempen gelezen moet hebben, vinden we weinig terug in zijn po&euml;zie. Zijn gedichten staan op zichzelf en hebben een heel eigen toon. Toch meen ik ergens de invloed van Herman Gorter te horen, al ligt dat bij liefdeslyriek voor de hand. Op die manier zou je zelfs gedichten van Remco Campert aan Gorter kunnen koppelen. Wanneer ik naar Gorter verwijs, denk ik vooral aan taal, aan het spel met woorden en de klank daarvan. Van Kempen gebruikt binnen- en buitenrijm net zo vaak als alliteratie. Zijn po&euml;zie geeft, vooral door de lengte van de gedichten, soms de indruk mooi geschreven proza te zijn. Niets is minder waar. Het is 100 % po&euml;zie. Wie mooie regels lezen wil, moet zich aan de eindeloos meanderende regels wagen. Interessant is ook dat Van Kempen openlaat waar een regel stopt of doorloopt. Dat is aan de lezer. Hierdoor ontstaan steeds weer nieuwe regels. Een goed voorbeeld is het &lsquo;sensitieve&rsquo; gedicht waarmee hij de bundel opent.<br /><br /> <strong>tussen haar en huid (fragment)</strong><br /><br /> ergens in je huid woon jij<br /> je zou wel willen weten waar<br /> je schiet daar zachtjes op en neer<br /> verblijft op plaatsen waar ik niet kan komen<br /> als ik naar je navel staar<br /> lach jij verwonderd over zoveel teer<br /> behagen, en kijk ik verlaten om mij heen<br /> dan ben jij daar, een huig van dromen<br /> die je zoete tong omspannen zal<br /> tot jij weer elders bent en zoekt<br /> waar je zo-even nog verbleef<br /><br /> Een groots gedicht is &lsquo;Aai me&rsquo; waarin hij de pijn van een scheiding op voortreffelijke wijze beschrijft. Niets is meer wat het was. Je lijkt een andere taal te spreken waar je vroeger aan &eacute;&eacute;n woord genoeg had. <em>Hoe toch kan een taal die wij beiden / vanaf de eerste aai blindelings spraken / met open ogen zo ontregeld raken.</em> In al zijn intimiteit schrijft de dichter hier pijnlijk ware woorden. Wat mij betreft is &lsquo;Aai me&rsquo; nu al een klassieker. <br /><br /> <strong>Aai me (fragment)</strong><br /><br /> Deze scheiding doet nog wel het meeste pijn:<br /> dat woorden plots van naam veranderen<br /> en niet meer heten wie zij zijn<br /> dat wat jij en ik gelijk benoemden<br /> wegschiet naar een uithoek van het woordenboek.<br /> Zo liggen wij nu samen op een bed<br /> dat spoorslags lits-jumeaux ging heten<br /> en het midden dat daar nooit bestond<br /> - lepeltjes, hand op buik, kont aan kont &ndash;<br /> is tastbaarder dan de persoon aan gene zijde van de vouw<br /> -messcherp, handen thuis, ik ben zo al genoeg gewond.<br /><br /> Michiel van Kempen grossiert in prachtige regels. Ze zijn lang, maar nergens te lang. Het geheim zit in de beelden die hij ermee oproept. Neem de laatste zin van het gedicht &lsquo;Thuiskomst&rsquo; die uit vier regels bestaat.<br /><br /> Thuis is niet waar jij je hebt verbeeld dat thuis was<br /> aankomst is gesmolten sneeuw en vreemdheid die verdampt<br /> waar mensen zijn die niets verlangen<br /> dan jouw aanwezigheid en de droom die nooit verzandt.<br /><br /> &lsquo;Runenteken&rsquo;, het gedicht dat de regel bevat die de titel van deze bundel vormt, staat ook weer vol schoonheid. Vooral omdat de dichter hier het ongezegde en misschien onzegbare vastlegt. Hij beschrijft twee mensen die onmiskenbaar veel om elkaar geven en toch uit elkaar gaan in een gedicht vol weemoed en tederheid.<br /><br /> <strong>Runenteken (fragment)</strong><br /><br /> Vanuit mijn ronde huis kijk ik een vogel na<br /> die aan een wolkendek zich optrekt van west naar<br /> oost, ik volg oranje room daar bovenop<br /> bereik de plaats waar wij zo-even liepen<br /> steeds dichter gingen wij daar naast elkaar<br /> tot op de heuvelkam waar jij je sigaret opstak<br /> en onze wegen, zo zei je, zich zouden scheiden<br /> en hoe wij daar opgelucht vrede mee hadden<br /> en ik de hond riep die voor een auto overstak<br /> en jij mijn arm greep om niet onderuit te glijden<br /><br /> De op het eerste oog abstract overkomende omslag van de bundel blijkt bij nader inzien, vooral na het lezen van het gedicht &lsquo;Runenteken&rsquo;, naadloos aan te sluiten bij de regels waarmee dit gedicht eindigt. Plotseling snap je die vaag roze streep op het grijs, begrijp je de stippen boven de naam van de schrijver en de titel van het boek. Het is de verbeelding van wat Michiel van Kempen al zo schitterend beschreef.<br /><br /> <strong>Runenteken (fragment)</strong><br /><br /> Nu is de hemel helder, geen vogel volgt<br /> de laatste stip die regen nog zou kunnen dragen<br /> maar die verder vallen zal, niet hier<br /> niet in het ruim van lucht tussen deze flanken<br /> en wij die binnen de klanken van dit waterland<br /> wonen, laten geen traan, want wat niet zinkt<br /> en wat niet drijft en wat niet zweeft<br /> en wat geen teken is maar leeft<br /> en is en is en is, begraaft de waan<br /> het is van geen betekenis geweest<br /><br /> <em>Wat geen teken is maar leeft</em> is een rijke dichtbundel die om herlezen vraagt. Steeds weer valt je een mooie regel, een vondst op. De bundel bestaat uit drie delen: &lsquo;van haar&rsquo;, &lsquo;van daar&rsquo; en &lsquo;van waar&rsquo;. &lsquo;van haar&rsquo; is een ode aan de liefde en ook aan het voorbijgaan daarvan. &lsquo;van daar&rsquo; bevat gedichten over de jeugd. &lsquo;van waar&rsquo; bestaat uit de gedichten die buiten de andere twee categorie&euml;n vielen. E&eacute;n gedicht daarvan mag niet onbesproken blijven: &lsquo;Een hand in een caf&eacute;&rsquo; waarvoor Michiel van Kempen zich liet inspireren door een schilderij van Pieter de Hooch. Virtuoos schetst hij je met woorden een beeld voor ogen en kan het niet laten terloops ook nog een grapje te maken.<br /><br /> <strong>Een hand in een caf&eacute; (fragment)</strong><br /><br /> Ik kijk door de ruit die van hieruit niet spiegelt.<br /> Dit interieur van Pieter de Hooch<br /> (de man met de roemer links heeft niks met ons te maken,<br /> het zij nog eens gezegd, noch zijn lichtekooi)<br /> geeft de geur van nest en pest en Jan<br /> die hoog boven het caf&eacute; zijn kamer vond<br /> en zich bedronk om beneden zijn dood te halen,<br /> daar is niets kunstmatigs aan,<br /> dat is wel mooi.<br /> En bij al het onverstaanbaars in die kooi<br /> zie ik hoe jij daar weer geknuffeld wordt,<br /> en ook dat is mooi, nou ja, dat zou,<br /> dat is zo mooi dat ik er tranen<br /> van in de ogen krijg. Of van de kou.<br /><br /> Sommige gedichten in deze bundel van Michiel van Kempen maken inderdaad emoties bij je los, zonder dat hij overigens larmoyant schrijft. Hij weet je te ontroeren, niet alleen door herkenning, maar vooral door zijn dichtregels die als een eindeloos lijkend lied doorklinken tot ze de gevoelige snaar raken.</p>

Reacties

Populair in hetzelfde genre

Boeken van dezelfde auteur