Lezersrecensie
Soms is dichten geen kunst
11 jan 2016
<p>In een tijd waarin Bekende Nederlanders voor schrijvers doorgaan en alleen winnaars van Grote Literaire prijzen alle aandacht van de pers krijgen, is het haast logisch dat de doorsnee lezer voorbijgaat aan schrijvers die minder aandacht genereren. Sommige dichters en schrijvers werken noest door aan hun oeuvre zonder dat daar krantenkoppen aan gewijd worden. Soms heb ik het idee dat grote auteurs van vroeger vandaag de dag geen enkele kans zouden hebben. Neem Cornelis Bastiaan Vaandrager, de schrijver van <em>De Hef</em> en <em>De reus van Rotterdam</em>. Die is toch veel te moeilijk voor de hapsnaplezers van nu. Of toch niet? Dankzij de door Karel ten Haaf teruggevonden tekst <em>Sleutels</em> (onlangs verschenen bij uitgeverij Passage) blijkt er nog steeds een vaste schare van bewoneraars te zijn. Dat die bewonderaars soms, zoals Karel ten Haaf en Daniël Dee, ook navolgers blijken te zijn, verheugt mij. Vol verwachting ben ik dan ook aan <em>Meisjespijn</em>, dertig jaar poëzie van Karel ten Haaf begonnen.<br /><br /> Karel ten Haaf is een bijzonder mens. Hij bezorgt de werken van Leon Trotski een tweede leven middels zijn Revolutionair-Socialistische publicaties. Hij is telefonist van het UMCG. Hij schrijft columns voor de weblog van het literaire tijdschrift <em>Tzum</em>. Samen met Daniël Dee beheert hij de literaire website Kortsluiting. Samen met Dee schreef hij een fabelachtig goed en bevlogen geschreven boek over <em>K1</em>. (U weet wel, die vechtsport waarbij erg veel mag en die men liefst in sommige steden zou verbieden.) Een vervolg daarop is in de maak, deze keer de biografie van Peter Aerts, drievoudig K1-winnaar en halfgod in Japan. Ten Haaf stelde de bloemlezing <em>Zieteratuur</em> samen, bracht negen dichtbundels uit in eigen beheer en publiceerde diverse romans, waaronder recentelijk <em>Geen zomer meer</em> en <em>Bokkenvla</em>. En <em>Meisjespijn</em> dus, het dikste poëziedebuut uit de geschiedenis van de Nederlandstalige letteren. <br /><br /> Het komt niet vaak voor dat ik 527 pagina’s poëzie lees. En zeker niet in twee dagen. Dat mij dat lukte, kwam deels door enthousiasme, deels door de lengte van veel van de gedichten. Soms hebben ze de duur van een of twee regels. Soms meer. Soms vormen ze zelfs een reeks die pagina’s doorgaat. <br /><br /> Enkele gedichten worden door een beeld gevormd. U begrijpt het al, dit is geen doorsnee poëzie. Karel ten Haaf kijkt wat je nog meer met taal kunt doen. Waar de grenzen liggen. Of er grenzen zijn. Vaak is humor daarbij een wapen. Voor je het weet, maak je de fout te denken dat het daarom gaat. Maar net als bij C.B. Vaandrager gaat het om meer. Laten we het voor het gemak experimenteren noemen. En ook terug naar de basis. Ten Haaf verdicht dit mooi in zijn gedicht ‘beste dichter’, waarin hij geen kapitalen of interpunctie gebruikt.<br /><br /> <strong>beste dichter<br /><br /> aan hans verhagen<br /> in bewondering<br /><br /> die andere hans<br /> die trage dichter<br /> die sleutelaar<br /> zeg maar zei<br /><br /> poëzie zou iets moeten zijn<br /> wat voor iedereen geldt<br /><br /> dat wat<br /> dat zal wel<br /> de spreektaal<br /> der zestigers wezen<br /><br /> de taal van voor<br /> iedereen om te grijpen<br /> begrijpen om te vatten<br /> omvatten wat jij noemde<br /> benoemde hans<br /><br /> het ik van iedereen<br /><br /> dat wat<br /> jij als geen<br /> ander ik<br /> zwijg<br /><br /> mijn spreektaal stil</strong><br /><br /> Veel van Ten Haafs gedichten zijn erotisch. Ze doen denken aan de dagen van Jan Cremer en Jan Wolkers, machotaal en alles behalve vrouwvriendelijk. En toch hebben ze wat. Ze schrijven onverbloemd op wat mannen denken of met elkaar bespreken. Daar kun je aanstoot aan nemen, maar beter is het om erom te lachen (zoals vooral mannen dat doen). De gedichten van Ten Haaf geven daar alle aanleiding toe. Juist door er foto’s van pin-ups aan toe te voegen en, niet te vergeten het icoon Kim Wilde, de natte droom van weleer, welt er nostalgie op uit deze bundel. Je kunt er de vinger niet op leggen en toch brengt het je terug naar de jaren zeventig, tachtig.<br /><br /> <strong>En dat noemen ze dan topless- (fragment)<br /><br /> waar ik vroeger veel op benen<br /> en vervolgens vooral kont <br /><br /> ben ik recentelijk heel erg<br /> op borsten zacht maar klein</strong><br /><br /> Veel, erg veel dichters krijgen een ode van Ten Haaf, vaak in de vorm van een pastiche. Buddingh’ kom je tegen, Armando, Vaandrager en Giphart, Jotie ’t Hooft en Bukowski. Ten Haaf citeert ze en begrijpt ze.<br /><br /> Hij blijkt een goede lezer en dichter. Hij brengt je met twee woorden tot lachen (<em>Pleonasme Christendom</em>) of buigt sportcommentaar om tot een readymade. Meteen ben je weer ooggetuige van de bokswedstrijd tussen Marvin Hagler en Thomas Hearns in 1985. Karel ten Haaf toont ons een vorm van literatuur die zeldzaam geworden is. Daarmee is hij een dichter om te koesteren. Low culture verbouwen tot Literatuur is niet iedereen gegeven.</p>