Lezersrecensie
De ultieme rancuneuze mens
27 jan 2021
Willem Visser is als jongetje van een jaar of acht, negen uit huis geplaatst en ondergebracht bij oom Richard, een gepensioneerde kolonel. Als kind is hij veel gepest, onder andere vanwege zijn spraakgebrek (stotteren). In die kinderjaren neemt hij zich voor wraak te nemen op ‘de wereld’, en reken maar dat hij daarin slaagt.
Na de dood van de kolonel verwerft Visser diens kolossale vermogen. Meerdere huizen schaft hij aan die hij onderverhuurd. Die panden worden niet onderhouden, maar durf daar als huurder eens over te klagen. Van de ene op de andere dag verhuurt hij het pand onder je voeten vandaan aan een ander. Bovendien heeft hij zijn huurders nodig om zijn tirannie op bot te vieren. Marie, zijn vrouw, heeft het echter nog veel erger: vanaf het moment dat Visser ontwaakt smeedt hij plannen om zijn vrouw het leven zuur te maken. Hij saboteert het huishouden, om vervolgens Marie ervan langs te geven dat de dingen niet gaan zoals hij wil.
Visser is een ware woordkunstenaar en redenaar. Dat dergelijk talent funest kan zijn voor de omgeving, lees je niet vaak, maar Vestdijk heeft dit subliem weergegeven. Wat moet hij een plezier hebben gehad om zo’n in en in slecht mens te scheppen! Tot slot past hij de droom toe om de hellevaart van Visser weer te geven. Dat is een discutabele truc, maar als je het doet zoals Vestdijk, past slechts eerbied. Ondanks dat de eerste uitgave stamt uit 1936 – “duizend bommen en granaten!” – is het ook vandaag de dag uitstekende literatuur, al moet je er wel tegen kunnen dat de protagonist een mens is die je nooit hoopt tegen te komen.