Lezersrecensie
Een klein maar subliem oeuvre
15 jan 2022
Heerlijk, dat je in één volume het hele oeuvre kan lezen van één van onze grootste schrijvers. Het debuut, “Villa des Roses” (1913), is dadelijk een schot in de roos. Elsschot beschrijft magistraal de eigenaars en bewoners van een Parijs’ pension dat zich beter voordoet dan het is: de nietsnut van een man die zijn waardigheid probeert te behouden, de bazin die haar gasten ingenieus afzet, de meid die bij één van de gasten nieuwe liefde lijkt te vinden, en een bont allegaartje aan gasten, van een quasi-demente hoogbejaarde kleptomane tot een Noor die geen Frans verstaat en dus alles best vind. Een echt homogeen verhaal is er niet, wel ontwikkelingen rond specifieke personages en het pension zelf, met een abrupt einde dat toch klopt.
“Een ontgoocheling” (1921) gaat over een aanbeden zoontje dat helaas niet zo slim is als vader en moeder denken, het verknalt op school en uiteindelijk, na veel leegloperij, een stiel en een ongeluk, toch een baantje vindt. Dan switcht het verhaal weer naar de vader, met een verrassend, bij de haren getrokken maar hoogdramatisch einde. “De verlossing” (1921), dat wegens “antipapistisch” op de lijst verboden boeken terechtkwam, is bijzonder straf. Een sluwe godloochenaar die zijn vrouw aftuigt en zijn dochters angst aanjaagt, opent in een dorp een winkel en zet alle dorpsbewoners met mate af, maar raakt in de clinch met een fanatieke en agressieve pastoor. Het wordt een zeer straf, zeer dramatisch verhaal met een zeer verrassende ontknoping en een lange, zachte epiloog.
Telkens vindt Elsschot het perfect midden tussen satire en drama. Hij is venijnig, maar de personages leven wel en de verhalen zijn vaak meeslepend – al blijft de vraag of hij met dit procedé ook lange romans had kunnen schrijven. Opvallend ook hoe Elsschot systematisch (ook naar eigen zeggen) materiaal uit zijn eigen leven haalde. “Villa” is gebaseerd op zijn eigen verblijf in een Parijs’ familiepension, “Ontgoocheling” op zijn eigen mislukte schoolcarrière, straathangerij en job bij een rederij, en “Verlossing” op het gezin van een plattelandsoom waar hij vaak ging logeren en die het met de geestelijkheid aan de stok had.
Dan komen “Lijmen” (1924) en “Het been” (1938) en ook al was mijn eerste indruk bij “Lijmen” dat hij nu te zeer de kant van de satire uit schiet, ook dit duo wordt na enige tijd straf drama – zij het dat hier het drama meer net onder de satire ligt waar dat voorheen omgekeerd was. De mediociteit Laarmans wordt van zijn bureaukruk geplukt en opgeleid door de geniale verkoper van lucht Boorman, directeur van het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen. (Ook hier weer: gebaseerd op La Revue continentale illustrée waarvoor Elsschot werkte, en haar eigenaar, Elsschots vriend Jules Valenpint.) In “Lijmen” wordt het een soort vanity press waar de ijdelen het zelf niet door hebben: Boorman verleidt of chanteert handelaars, bankiers, kortom iedereen met geld om tienduizenden exemplaren van zijn Tijdschrift te kopen in ruil voor een lovend artikel – en die gekochte exemplaren zijn meteen de hele oplage. De artikels zijn gerecycleerd – het is zonder meer hilarisch hoe dezelfde lange pompeuze Franse zin telkens en telkens opnieuw opduikt waarbij enkel het te verkopen product en een paar andere woorden worden aangepast. We gaan ook mee op verkoopstocht met Boorman en zijn leerling. Kortom, alles loopt grotendeels op wieltjes tot ze terechtkomen bij een oude, armtierige smederij die in de praktijk gerund wordt door de vrouw van de meestersmid – een vrouw met een pijnlijk been. Vanaf hier wordt het drama. En 14 jaar later keert Elsschot terug naar het einde van “Lijmen” om het verhaal af te werken – richting een einde dat tegelijk overdetoppe satire en een heerlijk menselijk verhaal is.
In “Kaas” (1933) keert Laarmans terug, maar het is niet helemaal dezelfde. Hij is weer klerk op één of andere werf, maar er is geen sprake meer van zijn ervaringen met het Wereldtijdschrift, en Boorman krijgt een bijrolletje als adviseur van radeloze verkopers. Deze keer laat Laarmans zich door mijnheer Van Schoonbeke, vriend van zijn broer Jan, overhalen om handelaar in Edammer te worden. Zelfgenoegzaam en zeer matig intelligent als hij is, verliest hij zich in de parafernalia die horen bij “een man van zaken” en komt aan verkopen niet toe. Het verhaal loopt dan ook fout af, op een heel abrupte manier – te abrupt eigenlijk want de geloofwaardigheid is hier maar mager. Toch is “Kaas” genietbaar omdat het zo vlijmscherp geschreven is. En als satire over een man die zich probeert op te krikken tot een “hogere stand” (waar hij bij Van Schoonbeke mee in aanraking komt en die op hem neerkijkt) maar denkt dat het aannemen van de uiterlijkheden van die stand daarvoor volstaat (een niet onherkenbare situatie) is het er boenk bovenop.
Ook “Tsjip” (1933, 1934) is het verhaal van een wéér andere Laarmans, deze keer met veel meer kinderen en opnieuw zonder herinnering aan het vorige verhaal. “Tsjip” is een heel eenvoudige familiehistorie: Laarmans’ dochter Adele is verliefd op een Poolse student en dat zorgt voor problemen. Het hele verhaal vertelt uitsluitend hoe de familie omgaat met Adeles relatie. Mooi verhaal, zeer menselijk. Helaas afgesloten met een wel erg zelfgenoegzame epiloog uit 1934 waarin de verteller het schrijverschap beschrijft. In 1940 maakt Elsschot het verhaal af in “De leeuwentemmer”, een reeks brieven van “Laarmans” aan zijn zoon Walter die intussen in Parijs woont, en waarin hij vertelt over de opgroeiende kleinzoon die zoals elke driejarige onmogelijk veel onmogelijke vragen stelt, onhandelbaar is, maar helaas in Polen door zijn papa en diens familie discipline wordt bijgebracht – tot het foutloopt. Een nog mooier, menselijker verhaal dan “Tsjip”, en uniek omdat de verteller nooit ook maar een seconde zijn relativerende, licht ironische toon laat varen.
“Pensioen” (1937) gaat over weer een andere Laarmans en draait rond diens schoonmoeder. Schoonbroer Willem moet als krijgsgevangene naar Duitsland, en “moeder” (de schoonmoeder) begint obsessief voedsel- en andere pakketten naar hem te sturen, een onderneming waarvoor ze de Duitsers en heel haar omgeving voor om de vinger draait en afzet. Het lot van Willem is meteen het startschot voor een schitterende intrige opgezet door de moeder, en een epische strijd tussen de familieleden. Hoe cynisch die strijd ook wordt, toch blijf je sympathie voelen met de zeer herkenbare, zeer levendig geschetste personages. Elsschot is hier op zijn strafst – permanent vlijmscherp aan de oppervlakte en mededogend zacht vlak daaronder. Schitterend verhaal.
“Het tankschip” (1941) is de enige tegenvaller. Het begint sterk, met alweer een “Frans” die met zijn schoonbroer en hun twee vrouwen in diens superdeluxe auto een ritje richting Bastogne doet, waar de oorlog uitbreekt. Maar de rest is dan gewoon het relaas van de schoonbroer die vertelt hoe hij, met de hulp van ene Boorman, op licht frauduleuze wijze een tanker heeft gekocht. Personages zijn er niet, verhaal nauwelijks. Het verhaal heeft ook geen echte afloop, want Elsschot was van plan een vervolg te schrijven maar had daar na een tijd geen zin meer in. Maar dan komt “Het dwaallicht” (1946), de facto Elsschots afscheid van het proza: ene Laarmans is op weg naar huis op een regenachtige avond, wordt aangesproken door drie Indische matrozen die op zoek zijn naar ene Maria Van Dam die haar adres voor hen op een kaartje gekrabbeld heeft, en trekt met hen de stad door op zoek naar Maria. De satire is hier verdwenen, wat overblijft is een relativerende wijsheid die de perfecte achtergrond is voor het in de grond tedere verhaal.
En tenslotte 22 “verzen” van wisselende kwaliteit, met klassiekers als “Het huwelijk” en “Moeder” maar ook redelijk banale gelegenheidsgedichten. Vooral de nogal gedwongen rijmen storen vaak. Opvallend is de deernis die Elsschot toont: voor zijn moeder over wie drie gedichten gaan, voor armen en bedelaars (ook drie gedichten), oude en mismaakte mensen… En dan zijn er een paar politieke gedichten, zoals “Van der Lubbe” en “Borms”. Weinig hoogtepunten maar niets doet natuurlijk af aan het messcherpe proza.