Lezersrecensie
Een bijzonder onaangenaam "meesterwerk"
15 jan 2022
Helaas, dit is geen roman, dit is een foltertuig. 287 blz lang mee moeten met het meest onaangename hoofdpersonage ooit, van de ene oersaaie naar de andere gênante scène (oef, het is tenminste gênant, denk je dan), telkens en telkens opnieuw gemekker over kaalheid en de kachel en boterhammen doppen in de pan met jus en nog een dozijn andere obsessies, end an nog soms in een krakkemikkige taal die perfect de mediocriteit van de personages weerspiegelt.
Frits van Egters is een 23jarige kantoorbediende die nog bij zijn ouders woont, in het Amsterdam van vlak na WOII. Tien hoofdstukken vertellen de tien laatste dagen van 1946, en dan vooral de avonden. En die avonden zijn vooral gevuld met totale leegte. Gesprekken met de ouders zijn er nauwelijks, de moeder is een lichtjes bittere huissloof en de vader een onhandige boekenkluns. Frits is niet in staat tot een echt gesprek, noch met zijn ouders, noch met zijn vrienden. Uit onhandigheid en om toch maar iets te zeggen zegt hij vooral kwetsende dingen – telkens opnieuw over de nakende kaalheid van zijn mannelijke vrienden bijvoorbeeld. Als er toch gepraat wordt, vertellen de vrienden mekaar anecdotes die ze gehoord hebben van een ander die het uit een krant gehaald heeft – steevast kleine gruwelverhaaltjes over ongelukken met kinderen etc. Frits toont zich vooral een extreem onaangenaam karakter, in niks geïnteresseerd, niet in staat tot enige empathie, en nooit te beroerd om anderen te kwetsen. Wanneer hij alleen is, verliest hij tijd aan prullen. De kolenkachel aansteken en de gaskachel uitdoen, saaie boeken uit zijn kast halen en er weer instoppen, iets te beluisteren zoeken op de radio…
Het meest shockerend is nog hoe verschrikkelijk onhandig dit boek geschreven is, door een schrijver die later toch een groot stlist zou worden. "Ze liepen, na een lange gang gepasseerd te zijn, een trap op en kwamen in een kamer, die verwarmd werd door een gashaard. Hij was vol kasten, tafels en stellingen (...)." (84) "Daarna legde hij op het buro alles in een nauwkeurige rangschikking." Hij "daalde naar beneden". "na een voorzichtig openen van het raam". "Zijn vader mengde de sla door persen met de vork met de aardappelen." Herlees vooral die laatste zin even.
Een paar scènes doen de latere erotische iconoclast Reve vermoeden. Zo fantaseert hij met een vriend (die als dief aan de kost komt) over het (impliciet erotisch geïnspireerd) folteren van een jonge winkelbediende. Frits droomt voortdurend en die dromen lijken zijn vastzittende leven te weerspiegelen. En af en toe lijkt er ergens een begin van een schaduw van een conflict tussen personages te ontstaan (het zit duidelijk fout tussen de ouders, blijkt uit huilbuien van de moeder) – maar dat wordt vooral niet uitgewerkt. Het zou de totale leegte maar eens te niet kunnen doen. Het overgrote deel van de roman bestaat dan ook uit eindeloze naargeestige details. De wreedheid van Frits is opvallend. Hij is niet alleen ongenadig tegenover zijn ouders maar ook tegenover zijn vrienden. En dan kan je de vraag stellen of dat een soort compensatie is voor de leegheid van zijn leven. Bijna zoiets als zelfverminking "om toch iets te voelen" maar dan met anderen als slachtoffer.
Dit is gelukkig geen al te lang boek, en als evocatie van de geestdodende leegte in het kleinburgerlijke naoorlogse Nederland is het ongetwijfeld geslaagd. Ik twijfel er niet aan dat dit in 1947 opschudding veroorzaakte, het is de American Psycho van die tijd. Ook dit is een door en door cynische fuck you waarin eindeloze herhaling totale zinloosheid moet weergeven - maar dan oersaai. Je moet het een keer gelezen heb, maar het is een uitzonderlijk onaangename leeservaring.